Welkomairmax asics barbour mizuno celine michaelkors nike okley newbalance nikefree rayban vans

Vroeggeboorte: Wat & Waarom

Problemen in de couveuse tijd

Zelf doen in de couveuse tijd

Verwachtingen

Medische termen

Nieuws

Links

Artikelen en referenties

Boeken

Contact

Awards & Pers

Problemen in de couveuse tijd
 
Hoewel zeker niet alle te vroeg geboren problemen krijgen, kunnen zich in de couveuse specifieke problemen voordoen:
 
 
Ademhaling

Voor een normale ademhaling is het vanzelfsprekend noodzakelijk dat de longen (en de longblaasjes) voldoende gerijpt zijn. Bij te vroeg geboren baby's is dit niet altijd het geval en zij hebben vaak een te lage hoeveelheid surfactant, een complex van eiwitten en vetten dat ervoor zorgt dat aan het eind van de uitademing de longblaasjes niet inzakken en de longen open blijven. Soms sijpelt er ook vocht in de longen. Tesamen maakt dit dat het voor een baby heel zwaar wordt om de nieuwe teug adem te halen en kan er zuurstofgebrek ontstaan. De baby raakt dan langzaam uitgeput. Het niet zelfstandig kunnen ademhalen wordt Respiratory Distress Syndrome, RDS genoemd. Bij ongeveer 10% van alle vroeggeboortes komt dit voor, maar net als bij de meeste complicaties bij vroeggeboorte heeft de duur van de zwangerschap invloed op kans dat een complicatie zich ontwikkeld. Bij baby's die worden geboren op minder dan 28 weken gaat het om 60%, van 28 to 34 weken is dit al gehalveerd naar 30%. Bij baby's die worden geboren na 34 weken gaat het nog slechts om 5% die RDS ontwikkelen. Het is wel bijzonder dat het bij jongens vaker voorkomt dan bij meisjes (64% tov 36%, Hospital Episode Statistics, Department of Health, England, 2002-2003).

Om de longen de gelegenheid te geven beter te rijpen zal altijd worden gekeken of de dreigende vroeggeboorte uitgesteld kan worden. Zelden echter heeft een behandeling met wee뮲emmers succes en in het algemeen is uitstel van de geboorte dan ook slechts voor een korte periode mogelijk. Desondanks is wee뮲emming van belang, omdat tegelijk met wee뮲emmers aan de moeder corticostero拉n worden toegediend. Corticostero拉n bevorderen de longrijping van het kind in de baarmoeder en hebben gemiddeld al na 12 uur na toediening effect op de longrijping van de prematuur. Uitstel van de geboorte, zeker tot het moment dat de corticostero拉n hun werk hebben gedaan, is daarom zeer belangrijk.

 

Symptomen van RDS zijn: snelle of onregelmatige ademhaling, kortademigheid, opengesperde neusgaten en adempauzes. Soms treedt ook cyanosis op waarbij lippen, nagelriemen en soms zelfs vingers, tenen en oren blauw verkleuren. De symptomen zijn meestal direct na de geboorte waarneembaar en worden dan vrijwel altijd ernstiger als er niets tegen gedaan wordt.
De mate waarin een baby RDS ontwikkelt, kan sterk variëren. De behandeling is dan ook vervolgens per baby verschillend. Soms kan worden volstaan met het observeren, maar vaak wordt vlak na de geboorte aan de te vroeg geboren baby ademhalingsondersteuning via CPAP gegeven. De hogere druk die in de neus-keelholte door deze vorm van beademing ontstaat, stelt de prematuur in staat om zelf surfactant aan te maken. Vaak lossen de problemen zich dan vanzelf op. Is dit niet het geval dan kan kunstmatige toediening van surfactant helpen. Toediening geschiedt via de luchtpijp als een dikke substantie die langzaam de longen binnendruppelt.
Het gebruik van een ander vorm van beademing dan CPAP kan ook nog een alternatief zijn. Met behulp van een beademingsapparaat wordt door een zacht buisje een mengsel van lucht en extra zuurstof voorzichtig via de mond of neus door de neus-keelholte in de longen geblazen. Er bestaan een aantal varianten van beademingsapparaten; ze werken echter via het principe van positieve luchtdruk of via trillende, kleine teugen lucht. De eerste manier geeft een lager en constant aantal teugen lucht (20 tot 40 per minuut). De borstkas zie je dan ook meebewegen. De tweede manier maakt gebruik van veel meer, maar kleinere teugjes lucht. De borstkas gaat dan niet zo erg op en neer, maar vibreert meer. Dit hoge-frequentie beademingsapparaat is zachter voor de longen. De positieve druk apparaten kunnen echter worden ingesteld op de baby; dat wil zeggen dat ze "wachten" of en wanneer de baby zelf een teug adem wil halen. Het is dan meer een helpende hand dan een constante hoeveelheid kleine teugjes lucht.

Meestal is ook het ademhalingscentrum in de hersenen van de prematuur onvoldoende ontwikkeld. Ter stimulatie wordt coffeine toegediend. De dosis coffeine wordt constant gehouden, zodat door te groeien de prematuur relatief ten opzichte van het gewicht steeds minder coffeﮥ krijgt. Het ademhalingscentrum is normaal gesproken voldoende ontwikkeld tegen de tijd dat de prematuur voldragen zou zijn. Toediening van coffeine stopt dan ook meestal rond 36 weken.
 
Als reactie van de longen op te lang kunstmatige toediening van zuurstof kan Bronchopulmonary Dysplasia (BPD) ontstaan.  
 
Bloedarmoede
Gemiddeld ontvangt een prematuur twee bloedtransfusies (Conceptrichtlijn Bloedtransfusie, 2002). Het aantal bloedtransfusies per prematuur neemt de laatste jaren wel enigzins af, maar het is nog steeds zeer gebruikelijk (Bain and Blackburn, 2004). Bloedtransfusies hebben geen effect op de duur van de ziekenhuisopname (couveuse tijd), groei of ontwikkeling van de ademhaling als zodanig (Ohls, 2002).
 
Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen waardoor prematuren nogal eens bloedarmoede hebben en om die reden 驮 of meer bloedtransfusies moeten ondergaan.
 
In de eerste plaats kan bloedarmoede mede ontstaan doordat er bloed wordt afgenomen voor talrijke onderzoeken en zeker voor prematuren betekent een paar ml. bloed een aanslag.
Echter, in belangrijke mate ligt de oorzaak van de bloedarmoede bij de vroeggeborene zelf. IJzer is een belangrijke bouwstof van rode bloedlichaampjes en het kan voorkomen dat het ijzergehalte te laag is. Soms is dat omdat de dunne darm nog onvoldoende ontwikkeld is en daarmee de opnamemogelijkheid van ijzer verstoord. Onderzoek toont aan dat het ter voorkoming van bloedtransfusies zinvol is om te starten met de toediening van ijzer (Franz et al., 2000).
Bovendien blijkt de levensduur van rode bloedlichaampjes bij baby's die voor een zwangerschapsduur van 32 weken zijn geboren aanmerkelijk korter: 60 a 80 dagen in plaats van de gebruikelijke 80 a 100 dagen (Blackburn, 2003).
Een andere belangrijke oorzaak is dat de noodzakelijke grote stijging van het bloedvolume niet kan worden opgevangen: de prematuur groeit snel en heeft daarbij "volwassen"-rode bloedlichaampjes (HbA) nodig en niet de "foetus"-rode bloedlichaampjes (HbF). De HbF cellen zijn meer afgestemd op zuurstofopname via de placenta, terwijl de HbA afgestemd zijn op de zuurstofvoorziening via de eigen longen.
 
Bloedtransfusies zijn niet geheel zonder gevaar en een beslissing om tot transfusie over te gaan wordt dan ook weloverwogen genomen. Er bestaat namelijk een zeker risico op infectie, ijzerstapeling, hersenbloeding of ongewenste afweerreacties van stoffen in het donorbloed op lichaamsdelen van de prematuur (Roseff et al., 2002).
 
Lage bloeddruk
Een lage bloeddruk is een vrij gebruikelijke complicatie vlak na de geboorte van een prematuur. Het kan het gevolg zijn van een infectie, bloedverlies, vochtverlies of inwerking van medicatie van de moeder voor de geboorte.
De behandeling van lage bloeddruk bestaat uit het verhogen van de vochtinname of door medicatie.
 
NEC
De schade aan de darmen door infectie en slechte doorbloeding noemt men Necrotiserende Enterocolitis (NEC). Hoewel de precieze oorzaak onbekend is het risico op NEC groter naarmate de baby vroeger is geboren. Dit kan duiden  op het feit dat de darmen niet genoeg zijn ontwikkeld voor een goede spijsvertering. Baby's met NEC kunnen een zachte of juist gespannen buik hebben, meer zuurstof vereisen, bloed in hun darmen hebben, of apnea vertonen. Een renonderzoek van de buik bevestigt de diagnose.
Als er geen teken van een breuk in de darmen is, behandelen de artsen NEC met antibiotica, stoppen al het intestinale voeden (zoals fles, borst of sonde) en schakelen op een IV over, draineren de maaginhoud van de baby en voeren regelmatig renonderzoeken uit.
In het geval er wel een breuk is, kan een chirurg het zieke stuk van de darm verwijderen of een drain aanleggen om besmette vloeistof uit de buik af te voeren.
 
Open Ductus Arteriosus
De ductus arteriosus of ductus van Botalli is een bloedvat dat de longslagader verbindt met de lichaamsslagader. Bij volwassenen vindt de zuurstofuitwisseling en afvoer van koolstofdioxide plaats tussen longen en long(slag)aders. Een foetus kan helemaal nog niet zelf ademhalen en gebruikt de longen ook niet. Gedurende de tijd in de baarmoeder vindt de uitwisseling plaats via de placenta en hoeft het bloed de longen hiervoor niet te passeren. Om de weg naar de placenta te kunnen "afsnijden" heeft een baby voor de geboorte een extra bloedvat, de ductus arteriosus: een soort bypass van de longen. Na de geboorte sluit de ductus arteriosus in het algemeen binnen drie dagen, maar een spontane sluiting kan ook zelfs nog na zes maanden plaatsvinden.
Bij sommige baby's, en dan voornamelijk bij prematuren, blijft de ductus arteriosus echter open. Bloed kan dan via de ductus arteriosus terugstromen naar de longen die zich daardoor vullen met bloed. Dit leidt tot ademhalingsproblemen. Een andere indicatie voor een open ductus arteriosus is een hartruis. Met behulp van een echo kan de diagnose open ductus arteriosus definitief worden gesteld. 
Als de prematuur duidelijk veel hinder ondervindt van de open ductus arteriosus kan deze soms gesloten worden met medicijnen (ibuprofen of indomethacine); het succes is wisselend en de allerkleinste prematuren reageren minder goed. Zoals bij het toedienen van alle medicijnen bestaat er kans op bijwerkingen; in dit geval bestaat er een risico dat niet alleen de ductus arteriosus wordt gesloten, maar ook andere bloedvaten. Toediening van ibuprofen geeft een kleinere kans daarop dan het al tientallen jaren gebruikte indomethacine (Van Overmeire et al., 2000).
Als medicijnen niet helpen en de ademhalingsproblemen groot, kan met een operatie de DA worden gesloten.
 
Geelzien
Na de geboorte worden de "foetus"-rode bloedlichaampjes (HbF-cellen) afgebroken. Deze zijn, zoals hiervoor aangegeven, niet meer nodig omdat voor het zuurstoftransport "volwassen" rode bloedcellen nodig zijn, die beter aansluiten op de eigen wijze van zuurstofvoorziening; immers in de baarmoeder neemt de baby zuurstof op via de placenta terwijl na de geboorte de baby het via de eigen longen moet doen.
Bij de afbraak van rode bloedlichaampjes ontstaat een gele kleurstof, bilirubine, als restproduct. Een te hoog gehalte bilirubine kan tot onherstelbare neurologische beschadigingen leiden. Ter bestrijding van het geelzien wordt fototherapie toegepast: de prematuur wordt onder een blauwe tl-lamp gelegd zodat bilirubine in een onschadelijke en uit te scheiden stof kan worden omgezet.
 
         
 
Hersenbloeding
De diagnose hersenbloeding maakt op ouders van een prematuur een enorme, bijna verwoestende indruk. E鮠reden daarvoor is dat al snel gedacht wordt aan de gevolgen van een hersenbloeding of beroerte bij een volwassene, maar een hersenbloeding bij een prematuur is echter volstrekt anders. Bij 驮 op de drie vroeggeborenen wordt hersenbloeding vastgesteld en veel ouders van prematuren beleven dan ook deze emotie. Vaak echter blijven hersenbloedingen bij prematuren zonder gevolgen, maar volledige zekerheid daarover is in een aantal gevallen pas te geven na verloop van tijd.
 
De reden dat hersenbloedingen vaak worden vastgesteld bij vroeggeborenen is dat bij op tijd geboren baby's nagenoeg nooit echo onderzoek wordt gedaan en hersenbloedingen bij voldragen baby's dus simpel nooit worden gediagnosticeerd. Helaas is het ook zo dat de kans op een hersenbloeding bij een prematuur groter is dan bij een voldragen baby. De hersenen van een voldragen baby zijn namelijk veerkrachtiger. Tot ongeveer 38 weken zwangerschap bestaan de hersenen uit een gelei-achtige massa waar (slag)aderen en haarvaatjes doorheenlopen. De kronkels en windingen in de hersenen komen later in de zwangerschap.
Tot 32 weken zwangerschap worden de bloedvaten in de hersenen nauwelijks beschermd door het omringend weefsel en kunnen dan ook makkelijk beschadigen. De wanden van de bloedvaten zijn bovendien nog niet helemaal uit ontwikkeld en raken daardoor sneller beschadigd. De meest voorkomende oorzaak van zo'n beschadiging is wijzigingen in de bloeddruk, afwijkingen in het bloed (m.n. bloedplaatjes), maar ook variaties in het zuurstofgehalte van het bloed. Ademhalingsproblemen (zoals BPD) vragen om die reden ook in verband met hersenbloeding extra aandacht. Als een bloedvat scheurt, kan er bloed in de ventrikels stromen en wordt de diagnose intraventriculaire hersenbloeding (IVH) gesteld. Ongeveer 90% van de IVH gevallen treedt op binnen 4-5 dagen na de geboorte.
 
De ventrikels liggen diep in de hersenen en zijn kanalen waarin het hersenvocht wordt geproduceerd dat in verbinding staat met de ruggegraat. Het hersenvocht bevat voedingsstoffen voor het centrale zenuwstelsel, terwijl de ventrikels zelf als een soort stootkussens voor de hersenen fungeren. Het hersenweefsel op de bodem van de ventrikels (germinal matrix) bevat cellen die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van spieren. De precieze locatie van de hersenbloeding alsmede de omvang van de schade bepaalt hoe ernstig de vroeggeborene is getroffen.
 
De ernst van de schade wordt ingedeeld in vier gradaties op basis van de mate waarin bloed wordt waargenomen in de hersenventrikels. Gradatie I is het minst, en IV het meest ernstig. In vergelijking tot kinderen die geen hersenbloeding hebben gehad, bestaat er voor de gradaties I en II overigens geen verhoogd risico op neurologische afwijkingen (Ward en Beachy, 2003).
De gradatie hangt ook nauw samen met het geboortegewicht (en indirect ook met de zwangerschapsduur). Horbart en Stillman (2002) geven het volgende overzicht:

Uit dit overzicht blijkt dat gradatie I voorkomt bij 10%-12% van de te vroeg geborenen. Met de toename van het geboortegewicht neemt het percentage van de andere gradaties (II - IV) snel af.
 
De gradatie van de intraventriculaire hersenbloeding (IVH) kan worden bepaald door een CT-, MRI-scan of een echo onderzoek. Het apparaat dat voor het echo onderzoek wordt gebruikt is hetzelfde als waarmee tijdens de zwangerschap beelden worden gemaakt van de baby in de baarmoeder. Echo onderzoek van de hersenen van een baby vindt plaats door de fontanel en is volkomen pijnloos. Beschadigde delen van de hersenen lichten wit op. Echter, zoals hiervoor al is aangegeven zegt dit niet zo veel, omdat veel baby's er geen blijvende schade van ondervinden.
Voor een CT scan is het soms nodig een contrastvloeistof in te spuiten die de structuur van de hersenen zichtbaar maakt. Voor een MRI scan wordt niet zelden een verdoving aan de baby toegediend. CT- en MRI-scans worden daarom veel minder toegepast dan echo-onderzoek. Voor een goed onderzoek moeten temperatuur, bloeddruk en ademhaling zeker een uur op peil blijven en dat is buitengewoon lastig. Bovendien moet de apparatuur worden aangepast aan het hoofdje van een premature baby dat vaak niet groter is dan een sinaasappel. Als de MRI- apparatuur onvoldoende aansluit, krijg je onduidelijke afbeeldingen met veel ruis. Het is dus moeilijk om goede afbeeldingen te maken van de hersenen van couveusebaby's.
Als er eenmaal beelden zijn, blijkt de interpretatie van afbeeldingen van de hersenen ook al niet eenvoudig. De interpreatie wordt verder bemoeilijkt doordat er -zoals hierboven al is aangegeven- bij pasgeborenen nog groei en uitrijping van de hersenen plaatsvindt. Een afbeelding van de hersenen van een prematuur kan behoorlijk afwijkend zijn wanneer het vergeleken wordt met een afbeelding van een voldragen zuigeling. Alle beelden moeten dus steeds gerelateerd worden aan het ﲭale毯r de duur van de zwangerschap.
 
Als na verloop van tijd door de arts aan u wordt aangegeven dat de hersenbloeding is opgelost, betekent dit alleen dat de bloeding niet langer zichtbaar is op de echo's. Er kunnen zich op latere leeftijd nog wel effecten openbaren (kijk hiervoor onder verwachtingen). Het is juist deze onzekerheid die voor ouders grote zorgen oplevert. Een deel van die onzekerheid wordt dan ook pas weggenomen als de baby een aantal mijlpalen haalt in zijn ontwikkeling: glimlachen, zitten zonder hulp, kruipen, lopen en het zeggen van de eerste woordjes. Het is dus lastig om een diagnose te stellen voor de (gecorrigeerde) leeftijd van 12 tot 18 maanden is bereikt.
 
Periventriculaire Leukomalacie
Het gebied rond de ventrikels (periventriculair=rond de ventrikels), ofwel de witte stof naast de met hersenvocht gevulde kamers, kan door zuurstoftekort beschadigd zijn. De beschadiging bestaat uit het zacht worden (leukomalacie) van het hersenweefsel door een slechte bloedtoevoer, welke veroorzaakt dat het hersenweefsel uiteindelijk afsterft. Deze beschadiging noemt men Periventriculaire Leukomalacie (PVL). Ongeveer 7% van de baby's die bij geboorte minder wegen dan 1.500 gram wordt er door getroffen (Horbart en Stillman, 2002). Het gaat daarom slechts om enkele gevallen per jaar.
 
De slechte bloedtoevoer kan zijn opgetreden voor, tijdens en na de baring. Voor de baring kan het verband houden met hypertensie (een aandoening waarbij de moeder een zeer hoge bloeddruk heeft en eiwit verliest met de urine). Tijdens de baring kan de bloedtoevoer ook verslechteren, maar meestal ontstaat een verslechtering van de bloedtoevoer pas na de baring en dan vooral bij prematuren. Er kan bijvoorbeeld door een IVH verminderde bloedtoevoer zijn opgetreden, maar er kan ook meningitis aan vooraf zijn gegaan.
Het door het zuurstofgebrek afgestorven hersenweefsel wordt door het lichaam afgebroken en veroorzaakt dan "gaatjes" in de hersenen. Herhaalde echo onderzoeken zijn nodig, zelfs nadat de baby al naar huis is, om het verloop beter te kunnen inschatten en omdat het vier tot zes weken duurt voordat het dode weefsel is opgeruimd en de "gaatjes" zichtbaar zijn.
 
Door de witte stof lopen de zenuwbanen van de hersenschors naar de middenhersenen, en vandaar naar het ruggemerg en de ledematen. Beschadiging van de witte stof kan leiden tot neurologische problemen: spasticiteit, vooral van de benen. Deze kinderen hebben dan de neiging op hun tenen te lopen, of waggelend, met de knie뮠naar binnen gekeerd. In ernstige gevallen kunnen ze niet zelfstandig lopen en zijn ook de armen aangedaan. Verder kunnen het gezichtsvermogen, het gehoor en de mentale ontwikkeling gestoord zijn.
 
Baby's waarbij PVL is vastgesteld moeten dan ook goed gecontroleerd blijven. Onderzoek toont aan dat vroege en doorlopende begeleiding (fysiotherapie, logopedie e.d.) kunnen helpen bij het verminderen van de hinderlijke gevolgen. De gevolgen zijn echter niet te genezen.
 
 
ROP
Prematuren retinopathie is een aandoening die kan ontstaan in het netvlies van te vroeg geboren kinderen. In het netvlies treedt een verstoring op van de uitgroei van de normale bloedvaten. Dit kan leiden tot afwijkende bloedvaten welke aan het netvlies kunnen trekken waardoor dit uiteindelijk plaatselijk of geheel los kan raken (NOG, 2002). Het netvlies begint zich te ontwikkelen in de zestiende week van de zwangerschap en is pas na negen maanden voltooid. Bij te vroeg geboren kinderen is de ontwikkeling dan ook nog niet afgerond en daarom is de kans op ROP groter naarmate de zwangerschap korter heeft geduurd (Wheatley et al., 2002). Andere oorzaken die worden genoemd zijn duur en wijze van beademing en aantal apneus.
 
Na geboorte kan per week de ernst van de ROP toenemen; bij 1 tot 2% van de prematuur geboren kinderen ontwikkelt ROP zich binnen 6 tot 10 weken van stadium 1 (geringe afwijking op de overgang tussen wel en niet van bloedvaten voorziene netvliesgedeelte) tot stadium 5 (totale netvliesloslating). Van de kinderen met een geboorte gewicht minder dan 1000 gram ontwikkelt uiteindelijk ongeveer 30% een littekenstadium en 8% een eindstadium (met blindheid) tgv ROP. Voor kinderen met geboorte gewicht tussen de 1000 en 1500 gram liggen deze percentages op 2,5 respectievelijk 0,5 % (NOG, 2002).
 
Momenteel worden in Nederland jaarlijks tien tot twaalf kinderen door ROP blind of slechtziend. Bij tijdige ontdekking kan in ongeveer de helft van de gevallen ROP met succes worden behandeld. In het eindstadium is er niets meer aan te doen en leidt de aandoening tot blindheid. Daarom is tijdige opsporing van belang. Vrijwel alle prematuren worden dan ook binnen enkele weken na de geboorte door een oogarts onderzocht op afwijkingen aan het netvlies. Dit onderzoek kan het beste bij 32-34 weken worden gedaan, en dit is dus ''onafhankelijk'' van de werkelijke week van geboorte van de prematuur (Ward & Beachy, 2003). De frequentie van de vervolgonderzoeken is afhankelijk van de bevindingen bij het eerste oogspiegelonderzoek. Voor de mildere vormen van ROP geldt dat er soms een piek is op het moment van de uitgerekende datum, waarna het vervolgens afneemt.
Voor het oogspiegelonderzoek worden de ogen vooraf gedruppeld met verdovende stof. Hoewel het onderzoek ongevaarlijk en niet pijnlijk is, is het ook niet echt plezierig als de baby niet toelaat dat het oog met de vingers opengehouden wordt. Om dan het netvlies goed te kunnen bekijken moet een ooglidspreider worden geplaatst tussen de oogleden om het oog open te houden.
 
Schalij-Delfos stelt in haar proefschrift, waarop zij in 1999 is gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht, dat door toediening van surfactant, een stof die te vroeg geboren kinderen krijgen om de ontplooiing van onrijp longweefsel te bevorderen, ook de kans op ernstige vormen van ROP afneemt. Als een ernstige vorm van ROP ontstaat dan is behandeling noodzakelijk alhoewel deze van meer factoren afhankelijk is, zoals bijvoorbeeld de progressie zoals deze bij vervolgonderzoeken wordt vastgesteld. ROP kan worden behandeld met een cryo- of laserbehandeling (cryo=wegvriezen, laser=wegbranden) van het gedeelte waar de verstoorde uitgroei van de bloedvaten ontstaat. Beide behandelingen gebeuren zonder "snijden".
Onbehandelde ROP of ROP in de hogere stadia leidt tot blindheid of slechtziendheid. Bij baby's met ROP die gepiekt is op de uitgerekende datum en later verminderden, kunnen op latere leeftijd toch klachten optreden. Vaak is dit bijziendheid of stabismus (een oog focust op iets terwijl het andere wegglijdt naar links of rechts). Het verdient dan ook aanbeveling om met alle te vroeg geboren baby's op de leeftijd dat zij een groeispurt krijgen naar een oogarts te gaan voor controle.
 
RSV
RSV is de afkorting van syncytial (uitspreken als sin-SISH-ull) virus. Het is een uiterst besmettelijk virus dat bij oudere kinderen en volwassenen een gewone verkoudheid veroorzaakt. Eigenlijk kan elke verkoudheid het gevolg zijn van RSV en zonder speciale test is niet na te gaan of de verkoudheid het gevolg is van RSV of van een ander virus. Voordat kinderen drie jaar zijn, krijgen ze vrijwel allemaal een keer te maken met RSV. Prematuren hebben echter nogal eens bij de geboorte longproblemen en zijn dan meer kwetsbaar voor de gevolgen van besmetting. Volgens verschillende studies maken ex-prematuren 20 tot 27% deel uit van alle kinderen die in een ziekenhuis worden opgenomen wegens een RSV-infectie (Bessens en Nauta, 1997). Een besmetting kan bij een prematuur soms tot een ernstige longontsteking leiden die opname in het ziekenhuis noodzakelijk maakt. Infectie kan in extreme gevallen tot levenslang kuchen en moeizame ademhaling leiden.
 
Helaas is er geen echt medicijn tegen RSV en ook geen vaccin. Omdat het een virus is, werkt antibiotica ook niet. Eenmaal geﮦecteerd kan ter verlichting ondersteuning van de ademhaling nodig zijn. Soms wordt er wel gedurende de risicoperiode van infectie met RSV (oktober tot en met maart) een injectie met anti-RSV tegenlichamen (palivizumab) toegediend. De resultaten met dit zgn. immuniseren zijn goed, maar RSV kan nog niet geheel worden voorkomen (Impact-RSV study group, 1998). Uit studie in de Verenigde Staten blijkt in de geﭭuniseerde groep een reductie van de ziekenhuisopnames van ex-prematuren. Bovendien bleken die prematuren die ondanks immunisatie toch besmet werden met RSV korter in het ziekenhuis te verblijven en hadden zij minder ernstige ademhalingsmoeilijkheden. Een vergelijkbaar onderzoek in Europa (Expanded Access programma), bevestigde de lage frequentie van ziekenhuisopname (ongeveer 2%) bij kinderen die met palivizumab werden geﭭuniseerd (Devlieger et al., 2002).
 
Natuurlijk blijft voorkomen beter dan genezen en daarom is het verstandig om de baby niet in de buurt van verkouden mensen te brengen. Daarnaast moeten rokerige ruimten worden vermeden en handen goed gewassen worden voor het aanraken van de baby.
 
Het meest vatbaar voor RSV zijn baby's die na eind September te vroeg geboren worden (vooral <28 weken) en vooral jongetjes of baby's die BPD hebben. Zeer hoog risico is aanwezig voor baby's die beademing ontvangen.
 
 
 
 
Deze website is zo zorgvuldig mogelijk samengesteld; de auteur aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid. Raadpleeg voor medische aangelegenheden altijd een arts.
[Welkom] [Vroeggeboorte: Wat & Waarom] [Problemen in de couveuse tijd] [Zelf doen in de couveuse tijd] [Verwachtingen] [Medische termen] [Links] [Artikelen en referenties] [Boeken] [Contact] [Awards & Pers]